Het begin

Met een enorme klap valt de kluis van het pallet. En komt vervolgens terecht tegen de Transit-Ford, waar hij in moet. De achterportieren van deze staan open. Maar wij krijgen de driehonderd kilo wegende kluis er niet in. Nick wurmt zich onder het stalen gevaarte en probeert met zijn benen kracht bij te zetten. De bus glijd daarbij naar voren. Waarbij Nick’s voet vast komt te zitten, die hij met moeite los krijgt. De door ons gestolen kluis is té zwaar en wij kunnen deze niet in de Transit tillen.  Een probleem.

Van je familie moet je het hebben. Het was dan ook mijn broer die met de tip aankwam. M’n broer, eigenaar van een uitzendbureau, wat een té groot woord is, hij was meer een  koppelbaas. Een van z’n  klanten was een groot meubelbedrijf, gevestigd in Rotterdam. En dat bedrijf ging verhuizen. Een klus, door mijn broer aangenomen.  Tijdens  die verhuisklus ontdekte m’n broer dat in dat bedrijf een knoert van een brandkast stond. Propvol geld. Althans, als je hem moest geloven.

Deze tip deelde ik met Nick en Arthur, mijn twee maten in crime. Arthur was op voorspraak van Nick ons team komen versterken. Arthur,  ruim twee meter groot en een schouderpartij als van een Mechelse pronkkast. Dat hij de Lange werd genoemd was logisch.  De laatste, mijn verhaal aangehoord over die kluis, wilde weten wat de afmetingen van dat ding waren. Hij stelde  voor om  polshoogte te gaan nemen in Rotterdam. Met als smoes, dat we aan dat bedrijf gingen vragen of zij werknemers nodig hadden.  Daar zag ik niks in. Veel te opvallend, gezien onze uiterlijke lichamelijke kenmerken. Ik stelde voor at voorstel van die Lange in stemming te brengen. Wij mochten dan wel criminelen zijn, maar wél democratische criminelen.  

Ik was al een keer in  dat bedrijf  polshoogte wezen nemen. En dat voelde niet goed. Ik had indertijd een echte boevenkop met krullend haar tot op m’n schouders. Vooral  mijn platte Amsterdamse tongval viel op.

Uiteindelijk haalden wij het breekijzer uit het vet, en braken in bij dat bedrijf. Waar die kluis nog op een verhuispallet stond. Die met een aanwezige ‘pompwagen’, door ons het bedrijf werd uitgereden.  En toen begon de ellende…

We kregen dat bakbeest niet in die bus. Wat wij ook probeerde, dat pokkending was er niet in te krijgen. Ondertussen begon de ochtendschemering te gloren. Met de nachtstilte had dat nóg mee gevallen. Maar dan moet er naast dat meubelbedrijf géén bakkerij zitten. En bakkers hebben de vervelende gewoonten, om midden in de nacht aan het werk te gaan. ‘Afblazen’, werd er gefluisterd.  Waar ik het niet mee eens was. Ik wilde nog één poging wagen. En had daarvoor een plannetje.

Die Lange zette ik achter het stuur van die bus. Met de opdracht dat hij langzaam de bus naar achter moest rijden.  Ik had grote stevige balk gepakt, van een meter of drie lang. Deze schoof ik tegen die kluis en een paal in de bedrijfshal. Ondertussen reed Arthur de bus naar achter. Tot grote verbazing gleed daarbij die kluis soepel in de laadruimte van die Transitbus. Ik was de held van de operatie.

Terugrijdend vanuit Rotterdam richting Amstelveen, werd door ons verkneukeld afgelegd met de vraag, hoeveel geld er wel niet in die ‘knoeperd’ zat.  We bleven elkaar maar feliciteren. Tot de ‘Amstelveen’. Waar een paar oudere criminele collega’s,  helers dus, een garage bezaten, die wij mochten gebruiken om die kluis open te maken. Die ouwe criminelen, hadden ook nog eens een goed contact met Aage Meinesz: indertijd de grootste kluiskraker van dit land.

Aage Meinez

Aage, de Grootmeester met de Thermische Lans. De Messie onder de kluiskrakers. Of eerder de Marko van Basten vanwege zijn vroege einde,voor wie geen brandkast veilig was. Bij het horen van Aage’s naam kregen bankdirecteuren spontaan hartkloppingen. Aage, held voor iedere aankomende kluiskraker. Zoals wij. Zijn, door hem geschreven boek was onze bijbel. Nu ik dit schrijf, borrelen weer die herinneringen op. Zoals die ene keer dat ik telefonisch contact had met Aage. Die mij via de telefoon een kleine vak gaf. In plat Haags oreerde Aage hoe je het best een kluis kan open branden.

‘Om het slot heen brand je een gat van twintig centimeter in het rond’, vertelde Aage. ‘Als dat gedaan is, zie door dat gat heen een aantal staven van dat slot. De onderste staaf bind je vast met ijzerdraad. Want als deze in die kluis naar beneden flikkert, kun je het vergeten’, “Krijg je hem nooit meer open”, aldus de meesterkraker.

In die garage gingen wij die kluis uit de bus halen. Wat eigenlijk gemakkelijk ging. Daar stond die dan, een prachtige brandkast, de droom van iedere inbreker.

Op de Technische School had ik mijn lasdiploma gehaald. Ik meende daarom dat ik wel in staat was die kast open te branden. Nóóit, maar dan ook nooit geweten dat daar zo’n grote rookontwikkeling van af komt.  De deur van die garage open zetten voor frisse lucht, kon ook weer niet. Dan was het net alsof er in die garage brand uitgebroken was. Bij dat branden stikte ik zowat, en hoestte daarbij m’n longen uit mijn lijf. Ik begrijp nu ook waarom Aage, op heel jonge leeftijd, aan longkanker was overleden.

Door de hitte van die gasvlam, zette de stalen kluisdeur uit. Die niet meer open te krijgen was. Uiteindelijk zwaaide deze open. Met een kloppend hart in de keel van opwinding, én verwachting, keken wij daarin. Krijg ook wat! Achter die stalen deur zat nóg een deur. Een type vriesvak. Die ik met de snijbrander te lijf ging. Bleek dat het om een houten exemplaar te gaan. Met die zelfde brander maar meteen de scharnieren van deze deur bewerkt. Vliegt vervolgens de binnenkant van die kast in de fik. En nergens een emmer water te bekennen. In paniek probeerde Nick met zijn eigen ‘brandslang’, de boel uit te pissen.

Na veel rookontwikkeling, en in een penetrante stank van Nicks pis, gaf de kluis eindelijk zijn geheimen bloot. En wát een afknapper! Alleen maar wat verbrande papieren. In de bovenste kluisvak lag wél geld! Eén stuiver! Precies vijf cent. Mijn god wat zullen ze daar in Rotterdam om gelachen hebben. Want dat ze ons door hadden was inmiddels duidelijk.

Wat wisten wij nou uiteindelijk van inbreken? We waren nog maar net zeventien jaar jong. En stonden aan de poorten van crimineel Nederland te rammelen.

Zo’n kolossale kluis stelen is één ding, maar je moet die ook weer dumpen. Ga daar maar eens aan staan. Ik geef het te doen. We besloten om deze met Transitbus en al te dumpen. Als  Amsterdammer doe je dat maar in één water: de Amstel. Die bus moest met een rotvaart in het water worden gereden. Maar wie van ons kreeg je zo gek om achter het stuur te gaan zitten. Uiteindelijk trokken wij ‘strootjes’. Die Lange trok letterlijk aan het kortste eind. Gelukkig voor mij, want zag het niet zitten om uit een rijdende auto te springen.

Scheurend, in de holst van de nacht, over een smal pad langs de stille kant van de Amstel. Arthur achter het stuur van de bus. Wij daar achter rijdend in de Simca van die lange. Een sinister gezicht om die bus richting water te zien gaan om daar in te verdwijnen. Vlak voor die bus in het donkere koude water van de Amstel in dook, sprong Arthur daar uit. Waarbij hij een paar keer over de kop duikelde. Met brandende koplampen zakte de bus langzaam weg in het water.

Ondertussen was Arthur, met geschaafde knieën en een gekneusde pols, bij ons in de Simca gesprongen.  Teleurgesteld gingen wij naar huis, met de knagende gedachten, dat  ze die auto maar niet vonden. Maanden later werd deze uit de Amstel getakeld. Niet veel later werden wij gearresteerd. ‘Gelijke monniken, gelijke kappen’, riep de rechter van de meervoudige Kamer in Rotterdam. En veroordeelde ons tot ieder een jaar gevangenisstraf.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s