Luiers en miljoenen

Mijn semafoon blijft maar overgaan. Van trilfunctie naar schokfunctie en dat meerdere keren achter elkaar. Ik besef dat het dringend is. Bij het volgende station verlaat ik de trein en vind ik een groene KPN-telefooncel, zoals die in de jaren 90 overal zijn te vinden. ‘Ik heb godverdomme alleen maar luiers en katheters vol pis en DNA-materiaal in mijn tas’, schreeuwt die lange aan de andere kant van de lijn. Ik maan hem tot rust. ‘Dan heb ik per ongeluk ook jouw tas meegenomen’, zeg ik. ‘Die neem ik vanavond wel mee naar de afgesproken plek.’ Die lange tiert nog even door, maar ik moet hangen om mijn volgende trein te halen. Nog geen minuut later sta ik weer op het perron. Het station bevindt zich ergens in de kop van Noord-Holland waar de koude wind van over de kale akkers de wachtende reizigers geselt. Maar ik heb het niet koud. Nee, ik zit er sinds vandaag warmpjes bij.

Het is maandagochtend vroeg. De stad veegt net de slaap uit haar ogen. Zelf ben ik al even wakker en keer snel de wagen om. Je hoort de banden piepen over de trambaan. Die lange loopt net het bankgebouw uit met in zijn handen drie grote tassen. ‘U had een taxi besteld’, grap ik naar hem. Hij heeft nu duidelijk even geen tijd voor humor en smijt de tassen op de achterbank. ‘Gas, gas!’, schreeuwt hij. Dat ‘bevel’ is niet aan dovemansoren gericht en de wagen sprint weg. In mijn ooghoek zie ik hoe onze andere maat met een rugzak op een fiets springt.

Met die lange rij ik vol gas naar een tunneltje waar je het beste kunt overstappen. Je zit dan meteen in een andere wijk, waar niemand weet wat er even verderop is gebeurd. Die lange trekt zijn vermomming af en ik spuit wasbenzine over de autobekleding. Hij pakt een van de tassen en zegt: ‘Pak jij die andere tassen en gooi die ene weg!’ Ik pak de twee tassen, steek de auto aan en loop net als die lange door het tunneltje. Zonder om te kijken weet ik dat de wagen al in lichterlaaie staat. Daar vinden ze geen spoortje meer op terug. Aan de andere kant van het tunneltje stappen we in onze volgende vluchtauto’s, toevallig allebei Lancia’s. ‘Tot vanavond amigo’, groet ik die lange. En weg zijn we.

Twee straten verderop is een station. Daar heb ik iemand neergezet in een auto met ladders op het dak. Zo’n werkpaard kan overal onopvallend op iemand wachten. Ik klop op het raam en hij schrikt op uit zijn dagdroom. ‘Wat wil je?’, vraagt hij. In eerste instantie herkent hij me niet vanwege mijn vermomming. Dat is een goed teken, maar dit is niet het moment voor spelletjes. Ik ruk de achterdeur open en pleur de twee tassen in de auto. ‘Alles is goed gegaan’, zeg ik. ‘Ik zie je bij de bungalow op Texel. Rij voorzichtig.’ Zelf stap ik op de tram, omringd door het geluid van sirenes die in de richting van de bank gaan. De pers rept even later van een buit van tientallen miljoenen. En dat terwijl aan deze roof geen wapen te pas is gekomen. Wat een schrik zeg…

In de bungalow staan de twee tassen open, beide gevuld met geld. Wel lijkt het of de ene tas twee keer zo vol zit als de andere. Later, kort voor zijn zelfmoord, bekent die lange dat dit een vooropgezet plan was van onze gezamenlijke vriend. Ik zou een kleiner deel krijgen omdat ik het geld toch maar over de balk smijt. En dat waren mijn allerbeste vrienden op dat moment hè!

Enfin, beide tassen zitten vol met Duitse, Engelse, Franse en Nederlandse valuta. Er komt geen eind aan het tellen. Daarom besluiten we een weegschaal te kopen en het geld op gewicht te verdelen. Bij het vertrek zie ik nog een stapel Duitse marken liggen. ‘Gooi die maar bij die lange in zijn tas’, zeg ik tegen de vriend die mijn tas zou verstoppen. ‘Kun je mooi zien dat ik een echte vriend ben die je kunt vertrouwen.’ ‘Je bent gek. Niemand – en zeker niet die lange – zou dit ooit geloven.’ Ach, naïef staat met grote letters op mijn voorhoofd geschreven. Ik ben gewoon een romanticus. En dat wil ik ook altijd blijven.

We hebben afgesproken in Scheveningen. Jezus, wat is dat een lange reis zeg vanaf een Waddeneiland. Ik red onze afspraak om 19.00 uur bij een visrestaurant bij De Pier dan ook niet. Sta ik daar in het pikkedonker op de boulevard. Dan maar naar een café. Alsof de duvel ermee speelt, zijn alle cafés gesloten. Godverdomme. Sta ik dan met mijn tas vol geld en ja hoor… de plaatselijke Hells Bengels komen me op hun brommers tegemoet rijden. ‘Wat moet jij hier?’, vragen ze. Nou, in ieder geval niet deze tas met geld aan jullie afgeven, bedenk ik me. Maar iemand die net uit de bajes komt beroof je niet. Dus vertel ik ze in mijn allerbeste Haags dat ik vanmorgen ben vrijgelaten en de hele dag al op die ‘kankâhoeâh’ van een wijf van me sta te wachten. En dat ik nu heel veel zin heb om ergens wat te zuipen. Het werkt. Ze wijzen me keurig de weg naar een geopend café waar ik met mijn tas aan de bar ga zitten. Heel even denk ik eraan dat het ook veel slechter had kunnen aflopen. Ondertussen giet ik de ene na de andere wodka-cola naar binnen.

Het grootste probleem dat ik heb tijdens het zuipen is het pissen. Ik ben bang dat het teveel opvalt als ik mijn tas meeneem naar het toilet. Maar nu ik sta te pissen, raak ik in paniek omdat mijn tas onbeheerd tegen de bar staat. Gelukkig stormen uiteindelijk mijn gabbers het café binnen. Die kleine heeft zijn handen in de lucht alsof hij net gescoord heeft en roept: ‘Ik ben miljonair!’ ‘Hey malloot’, fluister ik. ‘Ik zit hier godverdomme urenlang zo onopvallend mogelijk te wezen, kom jij binnen gek! Ook hier zijn boeven hè.’ Die lange is nog nuchter en wil weten waar zijn tas is. Hij wil ook meteen weer weg.

We duiken een hotel in en bestellen wat hoeren en coke. Die lange vraagt of ik de inhoud van zijn tas over hem wil leeggooien. Hij heeft net zijn straf van acht jaar voor de overval op de geldwagen erop zitten. En dat zonder een piek in zijn zak of in die van zijn gezin. Ik help hem graag om te genieten van zijn nieuw verworven rijkdom. Net op het moment dat hij onder een berg geld ligt, wordt er op de deur geklopt. De dames van plezier zijn gearriveerd. We proppen het geld snel weer in de tas, maar komen gedurende de avond en nacht nog wel een biljetje tegen hier en daar. Als de dames tegen de ochtend het hotel verlaten, slaat de paranoia toe. Een van ons, zelf pooier, weet precies te vertellen hoe dat gaat. ‘Die wijven komen bij hun vriendjes en vertellen dat er drie Amsterdamse schlemielen met een grote tas geld in dat hotel zitten.’ We weten niet hoe snel we pleite moeten gaan. Terug naar Mokum.

Eigenlijk wil ik helemaal niet in Mokum zijn op dit moment. Ik zeg tegen mijn vriendin dat we naar Texel gaan, waar we de gehuurde bungalow nog hebben. De volgende ochtend vindt ze het leuk om me te verrassen met… een parachutesprong. Met mijn hoogtevrees zweet ik al peentjes op een keukentrap. Maar goed, ik ben altijd bereid om alles te proberen en misschien kan ik zo mijn angst wel overwinnen. Niet dus. Als iemand ooit vingerafdrukken van me nodig heeft, dan zitten die aan de deurpost van dat vliegtuig. Ze moeten me er met z’n drieën uitduwen. Uiteindelijk val ik naar beneden. Jezus, wat is dit eng…

2 reacties

    • Haha
      De laatste twee zijn door andre hormann geredigeerd
      De vorige allemaal door andre Stuyvesant.
      Dus hulde voor hen.
      Probeer van mijn waterval aan woorden maar een verhaal te maken.

      Like

Laat een reactie achter op Lardo Reactie annuleren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s