Een rokende koffer

Rokende koffer

Het miezert. Door het licht van de lantaarnpaal zie je de duizenden kleine druppeltjes om de paal heen waaien. Niet écht het weer om op straat te zijn. Sigarenrokende mannen, gekleed in lammycoats,  handen in de broekzakken, lopen te ijsberen.  Om hen heen staan  auto’s. Héél veel auto’s. Ik bevind mij op de Amsterdamse automarkt, indertijd tegenover het Olympisch Stadion.

Ik ben daar met één doel: een andere auto kopen. De wagen waar ik op dat moment in reed, ‘n Citroen-Visa, gekregen van m’n broer, was mooi van lelijkheid. Een soort Lelijke Eend, maar dan zonder eend. Ondanks’ dat uiterlijk reed die Visa perfect. Sterker, het was wat je noemt een lekkere auto.

Nadeel was, als je dat wagentje op z’n Amsterdams parkeerde, want half op de stoep, kreeg je geheid bonje. Als ik dat  met mijn vorige auto, een Ford-Bronco deed, had je nergens last van. Een enkele keer mocht ik met die Bronco, tijdens het parkeren, een andere auto naar voren duwen, om zo zijn parkeerplek op de grachten te pikken. Met die Visa lukte dat niet. Er zat niets anders op dan weer een ‘dikke’ auto te kopen.

Lopend over die automarkt, sta ik opeens oog in oog, met een rode ,speedboot, staand op een trailer. Compleet met waterski’s er bij. Ik, de droom voor iedere koopman,  was direct verkocht. De verkoper van die boot hoefde niet eens meer zich in te spannen.
Aangezien die Visa een trekhaak had en ik geld op zak, waren wij een perfect team voor deze actie. Niet veel later hing de boot achter mijn auto. Toeterend kwam ik de Admiralengracht oprijden. Alsof er een Turkse bruiloft aan de gang was. Mijn meissie, naar beneden gekomen, stond met verbaasde ogen alsof ze water zag branden, te kijken.  Vijf minuten na aankomst lag de speedboot al in het water. Meteen een stukkie varen. Dat was met recht kicken.

Wij woonden aan het water, en met die boot kon ik overal komen. De grachten waren voor ons helemaal alleen. Wát een weelde. Geen gezeik met parkeren, en je kon ook nog eens met een flinke slok op, probleemloos thuiskomen. Nou ja , probleemloos, er zijn natuurlijk wel wat incidenten geweest. Op de Wallen had ik wel eens  de Hell Angels achter me aan gehad,  maar dat terzijde. En de woonbootbewoners waren met mijn boot ook niet zo blij. Na twee keer langs te zijn gekomen, wilde deze ons met stenen bekogelen. Waar mee mij tevens werd bijgebracht dat, als je door zo’n gracht iets te hard vaart,  de golfslag tot in de huiskamer van zo’n boot komt. We schijnen zelfs het vuur van een gasfornuis daarmee uit gekregen hebben. Vlees moet je blussen, wisten wij veel. Met deze wetenschap passeerden wij vanaf toen heel rustig de woonschepen. Om even daarna weer het gas open te trekken. Dat kon toen nog. Begin jaren tachtig, op wat visbootjes en half verzonken kruisertjes, was er geen bootje in de grachten te bekennen. Dat is nu wel anders.


Het voorjaar kwam er aan. Met hoogtepunt Koninginnedag 1985. Op deze dag trokken wij  door onze grachten. Op de kades van onze fijne Jordaan, was het dringen, duwen en worstelen om maar niet in het water te lazeren, zó druk. Wij hadden het rijk alleen. Onze vaste koffieshop bevond zich op de Rozengracht, waar op die feestdag zowat de hele provincie langs trok. De klandizie van de shop, nogal gemêleerd, bestond uit een paar lokale boeven, wat hasjhandelaren, en twee jongens, van beroep geldloper. Achter de bar stonden twee lekkere wijven. Als er weer eens een sollicitatie was voor de koffieshop, werd dat in de advertentie gemeld als vereiste. Waarbij de vaste klanten mee mochten beslissen in de uiteindelijke keuze. Mooie tijden.
Even een aardige anekdote: één van die geldlopers die regelmatig zijn jointje in die shop zat te roken, was ik wel eens tegen het lijf gelopen. Tijdens een klus wel te verstaan. De man kwam nét uit zijn geldauto gestapt. Zonder geldkoffer. En ik stond met bivakmuts en al naast hem. Ik liep snel door. Hij, geschrokken, dook direct het bankgebouw in.
Later op die dag zat ik met hem aan de bar van de koffieshop het bekende ‘Mexicaantje-dobbelspel’ te spelen. Hij deed net of ‘íe gek was. Liet niets merken. Aan anderen vertelde hij honderduit wat hem die morgen bij zijn geldauto was overkomen. Na dat incident had hij zich ziek gemeld bij z’n baas. En ging vervolgens zwart werken in de genoemde koffieshop. Twee salarissen opstrijken. Zwart dus. Wát een boef.

Mijn vrienden, collega’s eigenlijk en ook gespecialiseerd in ‘geldtranssporten’, kwamen regelmatig langs in onze shop.  Op een dag vroeg één van hen om de door ons buitgemaakte geldkoffers, niet meer te dumpen, maar te bewaren. Waarvoor zou ik nog te horen krijgen, van die lange persoonlijk tijdens één van onze bosplan ontmoetingen, wij trimde daar iedere week wel een paar keer om zo de conditie op peil te houden.

Op dat moment hadden wij  één koffer, afkomstig van een verse hold-up. Die koffer was een primeur, althans voor ons boevengilde. Het was namelijk de eerste zogenaamde ‘plofkoffer’.
Dat kwam zo: de bewuste geldwagen stond voor een filiaal van de Kwantumhallen. Waar ik binnen kwam als klant. Net in de zaak gekomen, zie ik dat de geldloper vanuit het kantoor met een koffer richting uitgang loopt.   Snel loop ik voor hem uit. Onderwijl een ‘piep’ gevend met m’n portofoon. Bestemming, mijn handlanger die buiten staat.

Bootje van de automarkt 1984

Deze sprint vervolgens de hoek om, met de wetenschap dat hij de nietsvermoedende geldloper tegen het lijf loopt. ‘Hier met die koffer’, hoor ik hem schreeuwen. Ik wandel rustig naar de kade, welke gelegen is achter de Kwantum-Hallen, en spring in mijn bootje. Rustig varend om niet op te vallen, tuf ik naar de afgesproken plek waar mijn maten mét de koffer zijn gearriveerd. De bedoeling was dat zij de inhoud daarvan snel in mijn bootje te gooien. Wat niet doorging.
Bij het vluchten met de koffer werd er een rookmechanisme geactiveerd. Een rokende koffer! Die jongens in de vluchtauto stikte zowat. Scheurend over de Witte de Witstraat, in een Opel Kadet waar de rook uit kwam, hing één van de jongens  de  rokende koffer uit het portierraampje. Waarbij de hele straat gevuld werd met rode rook. Ondertussen zat de politie niet stil. Vanuit de Kinkerbuurt kwamen  motoragenten aan gestoven. Op de Jacob van Lennepkade kreeg ik de rokende koffer in mijn boot gegooid. Mijn twee maten sprongen vervolgens op klaarstaande fietsen. Ik gooide de bijna uitgerookte koffer onder het klap bankje en tufte de grachten door naar huis.
Thuis gekomen had ik de koffer definitief opengebroken. Tot verbijstering en ontzetting kwamen wij er achter dat de inhoud door rode inkt was veranderd in één grote plak. De beste biljetten visten wij er uit, wat nog evengoed 72.000 gulden was. Maar die waren wél besmeurd.

met rood besmeurd geld

In het milieu ging het al snel  de ronde dat er nieuwe geldkoffers waren die plofte zodra je met deze wegrende. Er waren jongens die hun besmeurde geld op het braakliggende terrein achter Sloterdijk hadden verbrand. Daar was toch niets mee te beginnen, dachten zij.
Wij hadden onze contacten. Onder andere met iemand die werkzaam was bij de Technische Universiteit Delft. Die mafkees van de T.U. wilde het wel schoonmaken, maar dan tegen de helft van de buit. Uiteindelijk kreeg hij de biljetten ook niet schoon. Ook de met rode verf besmeurde koffer konden wij ook niet inleveren. Dan krijg ik een telefoontje van m’n broer. De laatste is er zo één, die alles kan wat zijn ogen zien, zijn handen kunnen maken. Ook met bevuilde bankbiljetten. ‘Ik heb het ‘geeltje’ schoon gekregen’, hoor ik hem door de telefoon zeggen, in code taal. Dat door hem genoemde biljet van vijfentwintig gulden had ik eerst door midden geknipt. En de ene helft aan hem gegeven. Zodat ik zeker wist dat dat hij deze echt schoon had gemaakt.
Ik liet het briefje aan mijn kompanen zien en die geloofde daar niets van. Als bewijs toonde ik de andere helft. In die tijd runde ik, samen met m’n meissie een schoonmaakbedrijf genaamd ‘de Vrolijke Zwabbers’. Als klanten hadden wij het vermaarde Jordanese kroeg Café Nol,  en nog een aantal cafés een casino en een discotheek voornamelijk op het Leidseplein en het Klein Gartmanplantsoen. In een
van die kroegen kon ik al schoonmakend de geldauto in de gaten houden, die de opbrengst van City-Bioscoop kwam ophalen. Op een dag zag ik tot mijn grote verbazing een oude bekende, waar ik ooit mee vast had gezeten, langs rennen. In zijn handen de geldkoffer van de City-Bioscoop.

Als in die tijd ergens een geldwagen stopte, was het dringen geblazen. Iedere beetje boef wilde daar z’n graantje van mee pikken. Volgens mij waren jaarlijks honderd overvallen in Nederland  geweest. Met een piek van vijfhonderdzestig overvallen. Ter vergelijking: in 1965 was het begonnen in Tilburg (zie internet docu YouTube ) wat langzaam steeg tot de jaren negentig.
Voor justitie werd het te gortig. Niet veel later werd het ‘Frustiteam’ door de politie in leven geroepen. Nog even terug komen op café Nol, gevestigd aan de Westerstraat. Aan de overkant van de kroeg bevond zich Manus-van-Alles, zo’n typische Jordanese winkel waar je van alles kon kopen. Als eigenaar van de Vrolijke Zwabbers vond Manus het niet raar dat ik daar geregeld het middel Citin, een balpenvlekkenverwijderaar, met honderden flesjes tegelijk kwam kopen. Want Citin was het wondermiddel waarmee wij de roodbesmeurde biljetten mee schoon kregen.
Dat deden wij wekend in zogenaamde cakevormen. In vijf stappen wel te verstaan. Anders bleef er een rode rand achter. Al met al een langzaam proces. Daarna werden de joetjes, geeltjes, brammetjes, vuurtorens, en meiers opgehangen aan waslijnen, die boven onze gashaard hingen.

Een enkele keer kregen wij visite van collega boeven. Nou, dat was lachen dus. Die dachten dat ze in een valsemunterij waren belandt. Alleen was dit geld écht! Bij het inwisselen twijfelde sommigen winkeliers, want de biljetten knisperde niet. Dan kwam de ultraviolet verlichting aan te pas. ‘Die zijn echt’, werd er dan geroepen. Mijn maten en ik woonden bij elkaar in de buurt. En kwamen bij dezelfde middenstand. Stond ik een keer bij de buurtbakker hoorde ik de bakkerijmedewerkster vertellen dat de laatste tijd, met van die  slappe bankbiljetten, werd betaald. Een keer stond ik bij de slager in de rij, kwam die bakker binnen gelopen, met een rood besmeurd biljet van vijfentwintig gulden. ‘Moet je kijken’, riep hij tegen de slager, ‘Hoe vies het geld vandaag-tot-dag, wordt aangeboden’. Waarop de slager uit zijn kassalade ook een besmeurd biljet trok met de mededeling dat daar mee zojuist werd betaald. In slagers hand rustte een, met rode verf besmeurde ‘vuurtoren’.
Onder de lamp zag je alle goede kenmerken, dus het geld echt, riep ze. En ik wist zeker dat, Mel, één van de jongens uit de groep, daar mee betaald had.  Nick had het zelfde bij zijn slager meegemaakt.
Mel reageerde met, de pestpespleuris, wat een lul ben ik toch ook hè.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s